26 oktober 2026 | Opinie
Je werkt jarenlang, betaalt belasting, lost je hypotheek af en hoopt uiteindelijk iets aan je kinderen na te laten. Een eigen woning is voor veel Nederlanders het resultaat van een werkzaam leven. In sommige politieke plannen lijkt dat bezit inmiddels vooral een probleem dat door de overheid moet worden opgelost.
Neem Jean-Luc Mélenchon. De Franse radicaal-linkse politicus wil de overdracht van vastgoed via erfenissen beperken tot vijf woningen. Wat daarboven uitkomt, moet volgens zijn gepresenteerde programma door de staat kunnen worden gevorderd en herverdeeld. Dat staat in zijn woningprogramma.
De vraag is niet of iedere Fransman straks zijn huis kwijtraakt. Dat beweert het programma niet. De vraag is waarom politici het steeds vanzelfsprekender vinden om particuliere eigendomsrechten ondergeschikt te maken aan hun plannen voor de woningmarkt.
Eigendomsrecht onder druk: de staat krijgt steeds meer te zeggen
Mélenchon wil ook leegstaande woningen kunnen laten vorderen en de belasting op vastgoed anders inrichten. Zijn argument is dat de woningvoorraad eerlijker moet worden verdeeld. Daar valt politiek over te discussiëren. Maar achter dat keurige woord herverdelen gaat wel iets schuil: de overheid beslist dat bepaald particulier bezit voortaan voor een ander doel moet worden gebruikt.
Want wat gebeurt er wanneer een overheid het probleem van woningtekorten vooral probeert op te lossen door meer zeggenschap te krijgen over bestaande woningen? Dan wordt het aantrekkelijk om de gevolgen van jarenlang tekortschietend beleid bij eigenaren neer te leggen. De burger heeft een huis. De politiek heeft een probleem. En plotseling blijkt het huis van de burger een bijzonder interessante oplossing.
Ook Nederland kent een wet voor het vorderen van woonruimte
Wie denkt dat de Nederlandse overheid helemaal geen vergelijkbare noodbevoegdheden kent, kan de Wet verplaatsing bevolking erbij pakken.
Deze wet dateert uit 1952. Artikel 7 bevat een bevoegdheid waarmee een burgemeester, onder wettelijk omschreven buitengewone omstandigheden en na afzonderlijke inwerkingstelling van dat artikel, onder meer het gebruik van woonruimte kan vorderen voor verplaatste personen.
Dat is niet hetzelfde als onteigening. De eigenaar verliest niet automatisch het eigendomsrecht op zijn woning. Bovendien gelden wettelijke procedures en rechtsbescherming. Toch blijft het een vergaande bevoegdheid: de overheid kan onder uitzonderlijke omstandigheden ingrijpen in de manier waarop particulier bezit wordt gebruikt.
In 2022 werden voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen de artikelen 2c en 4 van deze wet geactiveerd. Artikel 7 werd niet in werking gesteld. Wie beweert dat de overheid destijds de bevoegdheid kreeg om zomaar alle particuliere woningen in beslag te nemen, vertelt dus niet het juiste verhaal.
Een noodbevoegdheid is geen blanco cheque
Het bestaan van een wettelijke noodbevoegdheid bewijst niet dat een regering van plan is haar te misbruiken. Evenmin is aangetoond dat de woningnood bewust wordt veroorzaakt om particulier bezit af te pakken. Die beweringen zijn niet nodig om een wezenlijke vraag te stellen: hoe voorkomen we dat uitzonderlijke overheidsmacht verder wordt opgerekt dan strikt noodzakelijk?
Bij iedere ingreep in eigendomsrechten hoort een duidelijke juridische grondslag. Ook moeten noodzaak, evenredigheid en rechtsbescherming serieus worden getoetst.
Dat klinkt minder spannend dan de bekende WEF-slogan over een toekomst waarin niemand nog iets bezit. Maar het is relevanter voor iedereen die wil weten wat de overheid daadwerkelijk mag. Die formulering kwam uit een toekomstscenario dat via het World Economic Forum bekendheid kreeg, niet uit een bewezen internationaal uitvoeringsplan om alle particuliere woningen af te schaffen.
De woningnood is ook een verantwoordelijkheid van de politiek
Nederland kampt met een ernstig tekort aan betaalbare woningen. Eerder schreven we over de discussie over voorrang voor statushouders en over starters die noodgedwongen bij hun ouders blijven wonen. Dat vraagt om politieke keuzes over bouwen, vergunningen, ruimtegebruik en de manier waarop vraag en aanbod zich ontwikkelen. Wie de woningnood wil aanpakken, moet daarom uitleggen waarom het aanbod onvoldoende groeit en welke beleidskeuzes daaraan bijdragen.
Het is wel erg gemakkelijk om vervolgens vooral te kijken naar mensen die al een woning bezitten. Een huis is voor de overheid misschien een object op een kaart of een waarde in een belastingbestand. Voor de eigenaar is het vaak de plek waar tientallen jaren werk, spaargeld en herinneringen in zitten. Dat verschil verdwijnt opvallend snel zodra een politicus begint over de noodzaak van herverdeling.
Wat blijft er voor onze kinderen over?
Mélenchons voorstellen zijn Franse politieke plannen, geen Nederlandse wet. Er is geen bewijs dat Nederland ze gaat overnemen. Maar ze laten zien hoe ver politieke voorstellen over vastgoed kunnen gaan.
Daarom verdient iedere partij die vergelijkbare maatregelen bepleit kritische vragen. Welke eigendommen kunnen worden geraakt? Wie beslist daarover? Welke bescherming hebben eigenaren? En waarom zou deze ingreep beter werken dan het bouwen van voldoende woningen?
Wie zijn hele leven heeft gewerkt om een huis af te betalen, hoeft zich niet te verontschuldigen omdat hij dat huis ook graag aan zijn kinderen wil nalaten. De overheid mag de woningmarkt reguleren, maar moet zich verantwoorden voor iedere inbreuk op het eigendomsrecht.
De politiek die jarenlang geen oplossing vindt voor de woningnood, moet vooral oppassen dat zij het eigendom van burgers niet als de gemakkelijkste uitweg gaat beschouwen.
Door Lars Morgenstern
Bronnen: woningprogramma Mélenchon; Wet verplaatsing bevolking; Staatsblad 2022, 133.
