Een bijzondere droom.
Vijf vossen kwamen naar een kippenren met twintig kippen. Wat begon als een droom eindigde in een onverwachte ontdekking.
Vannacht had ik een vreemde, maar ook bijzondere droom.
Ik had een kippenren met twintig kippen. Ze hadden een veilig hok, genoeg ruimte en leefden rustig samen.
Totdat er op een dag vijf vossen voor de deur stonden.
Deze vossen zochten onderdak.
Ze beloofden dat ze geen kwaad in de zin hadden. Ze wilden zich snel aanpassen en samen met de kippen in hetzelfde hok leven.
De poort ging open.
Ik twijfelde geen moment.
Ik besloot het hok open te zetten.
“Maak je geen zorgen,” zei ik tegen de kippen. “Deze vossen willen gewoon onderdeel worden van onze gemeenschap.”
De media had immers verteld dat alles goed zou komen.
Dus waarom zouden de kippen bang zijn?
Na een paar uur zag ik iets vreemds.
Een aantal kippen zat helemaal boven op de hoogste stok van het hok. Ze durfden nauwelijks naar beneden te komen.
Ze waren bang.
Ik probeerde ze gerust te stellen.
“Jullie moeten vertrouwen hebben. Geef de vossen een kans.”
De kippen moesten zich aanpassen.
Ondertussen kwamen steeds meer mensen kijken.
De buren stonden rond de ren en zongen dat de vossen welkom waren.
Iedereen was positief.
Iedereen wist zeker dat het goed zou komen.
Behalve de kippen.
Die leken maar niet te begrijpen dat ze zich moesten aanpassen.
Ik bleef uitleggen dat de kippen de taal van de vossen moesten leren.
Dat ze elkaar beter moesten begrijpen.
Dat samenleven nu eenmaal moeite kost.
De kippen knikten.
De verandering in de ren.
Maar langzaam veranderde de kippenren.
Er waren steeds minder kippen.
En steeds meer vossen.
De vossen kregen ook jongen.
Acht welpen per zwangerschap.
“Wat prachtig,” dacht ik nog.
Een groeiende familie in onze ren.
Toch begon er iets te knagen.
Waar waren alle kippen gebleven?
De laatste kip.
De volgende ochtend liep ik naar het hok.
Ik telde de kippen.
Eén.
Er was nog maar één kip over.
Ik keek om mij heen.
De ren zat vol met vossen.
Toen trok ik mijn conclusie.
Die kippen hadden het gewoon niet begrepen.
Ze hadden de taal van de vossen moeten leren.
Ze hadden zich beter moeten aanpassen.
Dan hadden ze misschien nog geleefd.
Ik begreep werkelijk niet waarom die kippen zo moeilijk deden.
Het einde van de droom.
Op dat moment draaiden honderden vossen zich naar mij om.
Ik werd aangevallen.
Ik rende weg.
Zo snel als ik kon.
Ik vluchtte richting Polen of Hongarije, naar plekken waar volgens mijn droom mensen andere keuzes hadden gemaakt over hun kippenren.
En toen werd ik wakker.
Gelukkig was het maar een droom.
Een vreemde droom.
Maar soms zijn juist de vreemdste dromen degene die mensen aan het denken zetten.
Door Lars Morgenstern.