Corona-enquête:- Negen weken lang, verspreid over het voorjaar en de zomer van 2026, verschenen de belangrijkste hoofdrolspelers uit de coronacrisis onder ede voor de parlementaire enquêtecommissie. Mark Rutte, Hugo de Jonge, Ferd Grapperhaus, Jaap van Dissel, Mona Keijzer en vele anderen moesten uitleg geven over de keuzes die Nederland tijdens de pandemie maakte.
De parlementaire enquête geldt als het zwaarste controle-instrument van de Tweede Kamer. Toch blijft één vraag boven de verhoren hangen: wat levert het op als verklaringen elkaar op cruciale punten tegenspreken?
Een tribunaal is het niet, en dat was het ook nooit
Laten we eerst duidelijk zijn over wat deze enquête wél en niet is. Er is geen strafrechtelijk tribunaal gekomen, en dat was ook nooit het doel van een parlementaire enquête. Het instrument is bedoeld om politieke verantwoordelijkheid bloot te leggen, niet om straf uit te delen.
Een enquêtecommissie doet geen rechterlijke uitspraken. Zij onderzoekt welke besluiten zijn genomen, door wie en op basis van welke informatie. Alleen wanneer tijdens de verhoren concrete aanwijzingen voor meineed ontstaan, kan dat aanleiding zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
Wie teleurgesteld is dat er geen directe “afrekening” volgt, verwacht iets van een instrument dat daarvoor niet is bedoeld. Dat neemt niet weg dat de kritiek op het uitblijven van zichtbare consequenties begrijpelijk is. Die discussie zal echter vooral moeten worden gevoerd wanneer het eindrapport in 2027 verschijnt.
Een kernteam zonder notulen
Opvallend tijdens de verhoren was het beeld dat Mona Keijzer onder ede schetste van een klein kernteam, bestaande uit Mark Rutte, Hugo de Jonge en Ferd Grapperhaus. Volgens haar werden belangrijke besluiten in dat beperkte gezelschap voorbereid, terwijl de rest van het kabinet minder invloed had. Daarbij verwees zij ook naar WhatsApp-berichten waarin Rutte sprak over “wij tegen de rest”.
Van cruciale overleggen blijken bovendien geen notulen of officiële verslagen te bestaan. Dat is meer dan een administratieve tekortkoming. Het betekent dat de enquêtecommissie jaren later grotendeels is aangewezen op de herinneringen van de betrokkenen. En juist die herinneringen blijken regelmatig uiteen te lopen.
Tegenstrijdige verklaringen
Corona-enquête:- Dat werd zichtbaar bij de verklaring van Dick Schoof, destijds secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Waar Rutte de nadruk legde op de uitzonderlijke urgentie van de crisis, stelde Schoof dat een bredere maatschappelijke afweging eerder wenselijk was geweest.
Twee sleutelfiguren uit dezelfde periode schetsen daarmee een verschillend beeld van dezelfde besluitvorming.
Juist daarom hebben verhoren onder ede meer waarde dan een gewone hoorzitting. Meineed is strafbaar, waardoor getuigen worden geacht zo nauwkeurig mogelijk te verklaren. Tegelijkertijd laten de verhoren zien hoe lastig het is om jaren later een volledig en eenduidig beeld van de coronajaren te reconstrueren.
Weinig zelfreflectie
Diverse waarnemers merkten op dat met name Mark Rutte en Ferd Grapperhaus weinig zelfreflectie toonden op de momenten waarop de belangrijkste beslissingen werden genomen. Vooral wanneer het ging over informeel overleg zonder notulen of over de wijze waarop ingrijpende maatregelen tot stand kwamen, bleven antwoorden vaak algemeen of vaag.
Dat patroon liep als een rode draad door meerdere verhoren. Over afzonderlijke maatregelen konden betrokkenen meestal nog uitgebreid uitleg geven. Zodra de aandacht verschoof naar de manier waarop de besluitvorming zelf was georganiseerd, wie tegengeluid bood en welke alternatieven serieus zijn overwogen, werd het beeld aanzienlijk minder scherp.
Wat hierna telt
Corona-enquête:- De enquêtecommissie presenteert haar eindrapport pas in 2027. Tot die tijd is het verleidelijk om te concluderen dat de verhoren weinig hebben opgeleverd. Die conclusie is echter voorbarig.
Pas met het eindrapport wordt duidelijk of de commissie aanbevelingen doet die daadwerkelijk leiden tot structurele veranderingen. Worden toekomstige crisisoverleggen beter vastgelegd? Komen er strengere regels voor besluitvorming binnen informele kernteams? Volgen er politieke consequenties voor bestuurders die de eindverantwoordelijkheid droegen?
Of blijft het, zoals bij eerdere parlementaire enquêtes regelmatig gebeurde, bij een rapport vol lessen die uiteindelijk nauwelijks worden toegepast?
Die scepsis is begrijpelijk. Na jaren van discussie, uitgestelde verantwoording, tegenstrijdige verklaringen en belangrijke overleggen zonder schriftelijke vastlegging is het vertrouwen bij veel burgers niet vanzelfsprekend.
De echte betekenis van deze enquête wordt daarom niet bepaald door één verhoordag of één opvallende uitspraak. Die wordt pas zichtbaar wanneer het eindrapport verschijnt en de politiek laat zien of de geleerde lessen daadwerkelijk gevolgen krijgen. Maar daar is weinig hoop op.
Door Marlies Koster.